Alzheimer
Vroegtijdige opsporing Alzheimer niet langer utopie. Lees hier het volledige artikel uit trends voor de specialisten 17 nov. 2009, Nr. 22
Neuropsychologisch profiel
De aard en ernst van de cognitieve symptomen bij de ziekte van Alzheimer zijn afhankelijk van de fase waarin de ziekte zich bevindt. Neuropsychologisch onderzoek is voornamelijk zinvol in de eerste fasen van de ziekte en bij voorkeur in de preklinische fase. Medicamenteuze interventie blijkt het meest efficiënt wanneer deze zo vroeg mogelijk wordt opgestart. In de preklinische fase, in de literatuur genaamd als het stadium van Mild Cognitive Impairment (MCI), staan typisch geheugenklachten op de voorgrond. Het geheugen is geen unitair systeem, maar bestaat uit verschillende processen en systemen. De ziekte van Alzheimer wordt in de preklinische fase gewoonlijk gekenmerkt door een specifieke verstoring van het geheugenproces “consolidatie” of “bewaring” genaamd. Hierdoor kan minder goed nieuwe informatie worden geleerd (anterograde amnesie). Het consolidatieproces transfereert informatie naar het Lange Termijn Geheugen (LTG). Gewoonlijk is in het begin van de ziekte het Korte Termijn Geheugen (KTG) relatief intact.
Momenteel wordt in de klinische neuropsychologie een geheugenmodel gehanteerd met een predicitieve validiteit van circa 90%. Het model vindt zijn voornaamste toepassing in de vroegdetectie van Alzheimer dementie en de differentiaaldiagnose met depressie. Klik op Geheugenmodel bij vroegdetectie Alzheimer Dementie voor meer informatie.
Naast de ziekte van Alzheimer, zijn er andere aandoeningen die - naast mogelijke andere cognitieve stoornissen – typisch gekenmerkt worden door een geheugendeficit op consolidatieniveau. Zoals gezegd leidt een verstoorde consolidatie tot het verminderd vermogen om nieuwe informatie te leren (opslag in LTG) en dit wordt anterograde amnesie genoemd. Er worden twee soorten amnesie onderscheiden: anterograde en retrograde amnesie. Retrograde amnesie is het niet meer toegankelijk zijn of verlies van informatie voor de onset van hersenschade of disfunctie. Anterograde amnesie is het niet meer kunnen leren van informatie na de onset van hersenschade of disfunctie. Amnesie kan het gevolg zijn van disfunctie en/of een laesie van de volgende hersenstructuren: amygdala, hippocampus, enthorinale en parahippocampale cortex, gelegen in de mediale temporale lob. Daarnaast kunnen disfunctie en/of een laesie in het diencephalon (thalamus en hypothalamus) eveneens leiden tot amnesie. Meer specifiek betreft het de dorsomediale nucleus van de thalamus en de mammillary lichaampjes in de hypothalamus.